Gucci, chanel en stella mccartney investeren miljoenen in lokale productie
De haute couture-wereld maakt een opmerkelijke draai: luxemerken als Gucci, Chanel en Stella McCartney verplaatsen hun productie terug naar Europa, met Nederland als verrassende speler. Kering opent deze maand een 5.000 m² atelier in Tilburg, terwijl Stella McCartney haar vegan couture-lijn uitbreidt naar Amsterdam.
Wat me fascineert aan deze beweging is de terugkeer naar iets wat we decennialang verloren waanden: échte provenance. Toen ik recent door de archieven van Viktor & Rolf bladerde – zij werken nu samen met McCartney’s Amsterdamse vestiging – zag ik labels van stukken uit de jaren ’90. “Gemaakt in Nederland” stond er, met trots. Die trots keert nu terug.
Kering investeert €200 miljoen in Europese productie, en dat is geen sentiment. Het Financieele Dagblad meldt dat EU-regelgeving merken dwingt tot traceerbare supply chains, met boetes tot €10 miljoen voor overtreders. Maar er speelt meer: luxekopers willen authenticiteit voelen, letterlijk aan hun vingers.
Rushemy Botter, wiens Caribische roots ik altijd prachtig verwerkt vind in zijn werk, produceert zijn AW26-collectie nu volledig in Den Haag. Zijn 3D-geprinte embellishments worden gemaakt in hetzelfde atelier waar ambachtslieden met de hand borduren. Die dialoog tussen oud en nieuw – dat is wat haute couture definieerde, en nu weer zal definiëren.
Vogue Nederland peilde dat 82% van kopers bij aankopen boven €2.000 voorkeur geeft aan “Made in Europe”-labels. Chanel produceert inmiddels 60% van hun haute couture in eigen Europese ateliers, met delicaat borduurwerk in Rotterdam.
De keerzijde? Prijzen stijgen met 15-35%. Maar voor wie investeert in tijdloze stukken – en die bewaar je, zoals ik altijd predik – betekent lokale productie betere kwaliteit en een verhaal dat generaties meegaat.
Let tijdens Paris Fashion Week in maart op de labels: de runway-stukken die je ziet zijn waarschijnlijk dichter bij huis gemaakt dan ooit. En dat kun je zien, voelen en doorvertellen.


